Na je achttiende verjaardag ontvang je hem, die enge brief die je laat nadenken over de periode na je dood. Heel scary vind ik dat. Natuurlijk wil ik mensen mijn hart geven als ik daar 'n leven mee kan redden. Onder de grond liggen niksen, dat kan vast ook wel zonder een hart, het klopt dan toch niet meer. Maar om aan te kruisen dat je ook echt toestemming hiervoor geeft en die brief dan ook daadwerkelijk opstuurt, is even iets anders.
Maanden ligt die brief al op mijn bureau te wachten op een kruisje en vervolgens een plekje in de postwagen. Hoe vaak mama al geroepen heeft dat ik eens moet beslissen en iets met die brief moet doen, ik doe het niet. Ik durf hem niet eens aan te pakken, alsof ie bijt of een besmettelijke ziekte of zo heeft. Ik heb 'm nu verstopt onder andere boeken, tijdschriften en rommel, zodat ik hem niet meer zie. Een blik op die angstaanjagende brief maakt mij namelijk al aan het zweten. Beelden van mij op een grote tafel onder dertigduizend kille tl-lampen en waar zo'n enge dokter dan een voor een mijn organen uit m'n lichaam plukt. Bah! En in het ergste geval wordt er dan even zo'n Lady Gaga-vleesjurk van gemaakt.
Ondanks enge beelden over kille operatiekamers en scary vleesjurken heb ik toch besloten mijn angst te overwinnen en eindelijk dat kruisje bij de 'Ja' te zetten. Bibberig en zwetend zoek ik de envelop onder de berg rotzooi. Snel krabbel ik mijn kruisje en lik de envelop dicht. Bij de dichtstbijzijnde brievenbus drop ik de brief, om een paar weken later een brief terug te ontvangen: Hartelijk dank. U stelt uw organen en weefsels na uw overlijden beschikbaar voor transplantatie.
Nu maar hopen dat dit nog heel lang duurt en dat ik er dan veel levens mee kan redden.
Mies

