Ger van Rensch

Het is in 2019 precies 75 jaar geleden dat Horst aan de Maas bevrijd werd van de bezetting van de Duitsers. Veel inwoners van de gemeente hebben de oorlogsjaren en de bevrijding heel bewust meegemaakt. In de serie ‘Horst aan de Maas 75 jaar bevrijd’ doen zij hun verhaal. In deze aflevering: Ger van Rensch (86) uit Horst.

Ger groeide op aan de Venloseweg in Horst, samen met één broer en drie zussen. Zijn ouders hadden een café aan huis, dat na het uitbreken van de oorlog werd gesloten. Als jongen van een jaar of 10 vond Ger de oorlog voornamelijk spannend, vertelt hij. “We hadden een grote tuin en wat verderop in de straat nog een stuk land. Dus honger hebben we nooit geleden.” Hij was regelmatig bij de Reulsberg te vinden, waar hij voetbalde met jongens uit de buurt. “Van proppen papier met daarom heen een stuk touw gedraaid, maakten we dan een voetbal.”
Tijdens de mobilisatie, die in augustus 1939 plaatsvond, werd ook Gers vader opgeroepen voor dienst in het Nederlandse leger. Hij werd gestationeerd in Vortum-Mullem. Tijdens een van zijn verloven brak de oorlog uit, waardoor Gers vader thuis was en geen krijgsgevangene werd. Al snel kreeg ook de familie Van Rensch Duitse soldaten ingekwartierd. “Die waren of op weg naar het front of gewond en op weg naar huis. Dus die bleven vaak maar een paar dagen”, zegt Ger. “Daar zaten ook goede Duitsers bij. Sommige gaven ons wel eens wat te eten. Het waren vaak ook maar gewoon huisvaders.”
De dorpsgenoten die zich hadden aangesloten bij de NSB, daar moest je banger voor zijn. “Ik herinner me dat op een keer een NSB-er door onze straat liep en tegen de buurman zei: ‘we komen straks terug voor jou’. Mijn vader stond buiten en riep: ‘als je dat durft, dan heb ik hier een riek achter de deur klaarstaan.’ Even daarna kwam die NSB-er terug. Hij liep voorbij het huis van de buren, passeerde ons huis en stopte toen. Hij floot, er kwamen nog een paar anderen bij en toen sprong hij over het hekje bij ons huis. Hij sloeg mijn vader vervolgens met een mes in zijn nek. Gelukkig had vader maar een paar snijwondjes. Nee, voor die man had dat verder geen gevolgen. Er durfde toch niemand wat van te zeggen.”
Nadat de razzia’s uitbraken tegen het einde van de oorlog, moest ook vader Van Rensch onderduiken. “Ik speelde regelmatig in ‘het Brook’ en kon vandaar uit zien wanneer de Duitsers aankwamen. Dan rende ik snel naar huis om vader te waarschuwen. We hadden een beugelbaan die niet meer werd gebruikt, waar hij een ruimte had gemaakt waar hij zich kon verstoppen. En in ‘de beste kamer’ was een luik uitgezaagd in de vloer waar hij in kon kruipen. Tapijt eroverheen en niemand die het zag.” Tijdens een van die razzia’s werd een buurman, die toevallig in het dorp was toen de Duitsers de mannen bij elkaar dreven op het Lambertusplein, meegenomen. Ze passeerden de Venloseweg. “Die buurman zei toen dat hij heel erg naar de wc moest en of hij bij een huis naar binnen mocht. De Duisters wisten niet dat hij daar woonde. Hij is toen vervolgens door het wc-raampje ontsnapt.”
Ook Ger zelf maakte een keer een paar benauwde momenten mee. “Ik moest melk halen bij een boer in ‘het Brook’. De Duitsers lagen in droogstaande sloten langs de kant van de Venloseweg. Terwijl ik voorbij liep met mijn kannetje melk, moest ik bij hen komen. Wat ik bij me had, wilden ze weten. Ik moest de melk afgeven en kwam met een lege kan weer thuis.” Na het eerste bombardement op Horst, op 12 oktober, ging Ger samen met enkele andere jongens naar waar de plek van de toenmalige meisjesschool. “We wilden daar scherven verzamelen. Maar toen de tweede beschieting kwam, moesten we maken dat we thuiskwamen.”
Eind november werd Horst bevrijd. Ook Ger ging kijken hoe de bevrijders via de Stationsstraat het dorp binnentrokken. “De soldaten hadden ‘chocolate’ en ‘cigarettes’ bij zich. Of ik ook wel eens wat heb gekregen? Nee, dat was voornamelijk voor de meisjes”, lacht hij.